Feed on
Posts
Comments

Visuele argumentatie

Goed foute reclame

1. “Wij wensen de moeders een onvergetelijke moederdag” (logos).
Al de rest betreft de ethos van de spreker en de manier waarop de emoties of onbewuste overwegingen van de kijker worden gemobiliseerd, de pathos.

2a. “Wij lachen de moeders uit (kijk eens hoe mooi wij mooie jonge meiden nog zijn)” / of:
2b. “Wij zijn ook moeders maar in tegenstelling tot de gemiddelde moeder zijn wij wel nog volledig ‘in vorm’ (dus toch: haha)”.
3. Moet je die linkse vrouw zien, daar is men met de Photoshop weer eens uitgeschoten: mededeling: “Zo mager moet je zijn om mooi te zijn.”

Visuele argumentatie is de gedaante die ethos en pathos aannemen in een cultuur als de onze waar de media het primair zijn geworden voor het overtuigen van een publiek.

Adamitic language …

There is something attractive in the thought that our language of universals was preceded by an Adamitic language which makes use only of proper names. Such a language acknowledges the importance of individuals, as they are perceived, as opposed to the categories they fall under. We are more interested in our friend Mary than in women generally.

But what would the world be like in the days of Adamitic language? How are we to understand the thought of Adamitic language?

… ill-concieved

When, in my perception, I recognise individuality before generality—the individual item before its category—how do I assure myself that I am looking at the same individual when not by realising that it is identical to the one I encountered before, and different from any of the things that are like it? Or: it makes no sense to think of individuals without a conception of categories they are instances of.

Perhaps the original thesis of precedence was not about the precedence of conceptions but of terms? Perhaps we first had terms to refer to individuals, even though in our mind we already possessed the concepts to generalise.

Proper names

There is yet another issue with proper names. Are they to be conceived of as a causal chain originating in a baptising (Kripke)? Perhaps, yes, we must say this talking about the logic of proper names. But their use is rather different: my friend’s proper name captures—for me!—a set of shared experiences, and it retains these. And amongst these shared experiences there is, most notably, the intimacy of reciprocal exchanges of gazings.

Giphart in VU-mc

Nu maakt men zich weer druk over het feit dat Giphart voor een boek meeloopt op het VU-mc, alsof dat hetzelfde is als de camera’s van Eyeworks. (Ook al verkocht hij de filmrechten van het boek aan Eyeworks: die zou er fictie van maken). Weten we het verschil niet meer tussen een individu dat meeloopt en de gebruikelijke schroom en morele betrokkenheid aan de dag zal leggen—of indien hij dat niet doet, daar op afgerekend kan worden en een set camera’s, een televisie-ploeg, een uitzending (waarin echte beelden gemonteerd worden) en een televisie-kijkend publiek thuis?

Ja, de juridische termen zullen dezelfde zijn: “of hij wel een witte jas mag dragen” (waarom niet? Is dat niet gebruikelijk in een ziekenhuis voor bezoekers?), “privacy” en “toestemming (vooraf)”, maar de morele verschillen zijn legio. De klacht van Joost Zwagerman “dat hij niet gevraagd is voor het project”, is niet alleen leuk, maar volkomen relevant voor deze misplaatste heisa.

Zie ook wat ik eergisteren schreef.

Wat de verwikkelingen rond een onzalig programma van RTL4 betreft, waarin de beelden gestolen worden van mensen die zich in ellende overgeven aan betrouwbare hulp, personeel van een ziekenhuis, wil ik graag een artikel dat ik in de vorige eeuw schreef in herinnering brengen. Het ging over Verneder-tv, en dan niet zozeer over programma’s waarin mensen in vernederende situaties werden gebracht, maar programma’s waarin mensen hun 15 minuten roem werd gegeven—zogenaamd, dan toch.

Ik voeg daar nu dit nawoord aan toe, ook indachtig de argumenten die ik onlangs ontwikkelde toen ik door dacht over iconische foto’s. (zie onder).

Nawoord (bij: “Beleving op televisie. Over Verneder-tv”)

Een camera is een ding. Laatst werden foto’s gepresenteerd die een aap van zichzelf gemaakt zou hebben. In die foto’s zie je een aap die verwonderd naar dat ding in zijn handen kijkt. Hij ziet een ding met knopjes die klikken. Hij ziet geen camera.

Mensen zien in zo’n geval een camera. Zij weten meer. Weten dat dit ding een lens heeft waardoor hun beeld gevangen wordt, zodat later en elders anderen ernaar kunnen kijken; mensen die zich niet tot hen verhouden, maar tot hun gestolen beeld. In onze cultuur is fotografie het walhalla. Sommige mensen denken daarom ook dat het cool is om op deze manier bekeken te worden. Het maakt je beroemd en daarom belangrijk. Gezien worden is bestaan. Maar in een gevangen beeld worden natuurlijk de mensen niet gezien, maar hun afbeelding. Een mens zien is je lichamelijk tot hem of haar verhouden—het is: hem aankijken en door hem aangekeken worden. Ja, als je op zo’n manier gezien wordt best je inderdaad.

Ondertussen, in Nederland. RTL4, of beter, de productiemaatschappij Eyeworks van Reinout Oerlemans heeft de zoveelste stap gezet. We hebben al een tijdje programma’s met een verborgen camera waarin mensen in vervelende situaties worden gebracht en op hun spontane reactie worden betrapt, en programma’s waarin zogenaamde “gewone” mensen lekker dom (in de ogen van de kijker) met elkaar mogen doen, waarbij er gestemd wordt “wie mag blijven”—allemaal voorbeelden van verneder-tv—nu dan een programma waarbij beelden getoond zouden worden van 35 camera’s en microfoons die op vele plaatsen waren opgehangen bij de spoedeisende hulp van het VU medisch centrum in Amsterdam.

Dus: als u iets ergs overkomt en u moet naar de spoedeisende hulp, dan kunt op enig moment iemand van Eyeworks verwachten die u vraagt of men uw beelden mag gebruiken in de uitzending. Er wordt natuurlijk niet bij verteld welke van uw beelden geselecteerd zullen worden, noch hoe ze in de montage van betekenis worden voorzien. (U mag verwachten dat het de lulligste beelden zullen zijn, want daar smult het publiek het meest van, denkt men bij Eyeworks, waar het alleen om de kijkcijfers draait, natuurlijk). Sommigen zullen denken, “cool, op televisie” (daar had ik het in mijn stuk al over). Dus, hoe misselijker, naakter en lelijker u voor de dag komt hoe groter de kans dat de regie u om toestemming komt vragen. We moeten natuurlijk niet vergeten dat de regie alle beelden, ook de beelden die ze niet selecteren, in hun regiekamer op hun gemakje hebben zitten te bekijken. (Ideetje: Reijnout, laat voortaan door inbrekers (die toch al veroordeeld worden voor de braak) in slaapkamers van huizen camera’s en microfoons ophangen, en mochten de beelden dan leuk zijn voor uitzending, neem dan voor de juridische afdekking even contact op. Dit lijkt nu nog een onhaalbaar scenario, maar men vindt vast een weg.)

De discussie

De discussie in de media gaat vervolgens over de vraag of er geen “inbreuk in de privacy” is gedaan, en of er wel toestemming gevraagd is en zo ja, of dat voor of na het opnemen gebeurde, en over de verhouding met de geneeskundige beroepscode. Allemaal juridische begrippen. Wat is privacy voor mij? De ethiek van deze situatie komt zelden aan bod. Het lijkt wel of onze ethische oordelen louter intuïties zijn en geen argumenten en men er geen gebruik van mag of vermag (te) maken.

Maar hoe zit het met het vertrouwen dat we mogen hebben om in alle rust en intimiteit behandeld te worden. Ik wil nooit gevraagd worden of men mijn beeld mag gebruiken. Ik wil die overweging nooit of te nimmer hoeven maken. En dat is een subjectieve overwegingen die, meen ik, tot een morele wet geuniversaliseerd moet worden.

(Ik wil hiermee niet betoogd hebben dat alle betrokkenen het gevang in moeten. Maar dat is dus wel zo’n intuïtie die ik heb—die de ernst van de situatie min of meer aangeeft. Ik weet niet of Wilders zich wil verwaardigen om te proberen hier politieke munt uit te slaan, maar misschien kan hij hier eens een klachtensite voor inrichten?)

Verwijzingen

Rob van Gerwen. “Wachten op beeld. Iconische fotografie”, Expertbijeenkomst, Filosofie van de kunsten, Utrecht, 17-18 november 2011.

_______________. 1997. “Beleving op televisie. Over Verneder-tv.” Vrijetijdsstudies 15:40–51. (online)

_______________. “Theses concerning iconic images”, 2008. online

_______________. ” “World Press huldigt Arabische burger” ” (online, over WPP 2011)

Margriet Oostveen, “Kyri op camera”, NRC 24 februari 2012, 3

As I reported earlier, I have been having great trouble removing the so-called feature of OS X Lion to automatically replace vowels with one of their diacritical replacements, or nothing—if you happen not to notice the options (which happens all the time when you are a fast typer such as myself).

It seems there is a workaround available via the good old Terminal!

The explanation is in Dutch, but the Terminal commands are as is, check the site of www.apple4ever.nl.

Do this in Terminal

To make Lion stop replacing characters, do this in Terminal:
defaults write -g ApplePressAndHoldEnabled -bool false

I tried this, and it finally works!

To switch back to the old situation, do this:
defaults write -g ApplePressAndHoldEnabled -bool true

(Here are my previous ramblings)

De kop waarmee NRC de winnaar van de World Press Photo aankondigt, is een beetje raar, lijkt het. Op de foto zien we een gewonde Arabische burger, dat wel, maar we zien ook dat hij ontkleed is en dat hij getroost wordt door een vrouw in een Niqaab die ook nog witte handschoentjes draagt. Die zijn dan wel weer vuil, wat ze enige menselijkheid bezorgt.

Het is ook een soort Pietà, en dat lijkt ons te vertellen dat een Christelijk thema als de Pietà van alle culturen/religies is. Maar “wij” kozen, c.q. maakten de afbeelding, toch?

Michelangelo, Pietà
Michelangelo, Pietà
Sint Pieter, Rome, 1499

Men denkt onwillekeurig aan het tragische conflict der toewijdingen. Wijdt men zich aan de religie of aan de mensen? Het heeft iets verontrustends dat deze gewonde man zich door een vrouw die in een doek gehuld is, moet laten troosten.

World PRESS Photo?

De kwestie blijft dat de nieuwswaarde van de foto gering is. Waren de man en de vrouw zich nu wel of niet van de camera-man bewust? Het is natuurlijk mogelijk dat de camera-man deze situatie zo maar ergens aantrof, maar had hij toen al zijn camera in de hand en werd dat niet opgemerkt? (Niet dat dat van mij zou moeten, maar voor de journalistieke waarde van een foto is het onontbeerlijk dat de afgebeelden niet poseren).

Mij dunkt dat de criteria die de jury van de WPP heeft gehanteerd strikt esthetisch waren, of eventueel kunsthistorisch, maar zeker niet journalistiek. Heeft deze foto enig politiek effect (zoals we dat kennen van eerdere iconische foto’s, zoals die van Nick Ut)—dat moet allemaal nog blijken, natuurlijk. Dat is dus niet het argument van de WPP wedstrijd. Voor de authenticiteit van dit ritueel stel ik een keus voor: ofwel legt de jury zich er voortaan op toe om alleen foto’s te beoordelen die, laten we zeggen, vijf jaar oud zijn en hun journalistieke en politieke waarde al hebben bewezen; ofwel geeft men toe esthetische en kunsthistorische normen te hanteren en laat men het PRESS-woord uit de titel vallen.

Ten laatste dan, de kop van het NRC. Hebben ze zich wellicht geen raad geweten met deze foto?

“World Press huldigt Arabische burger”, NRC, 10 februari 2012

TinkerTool to the rescue

In response to renewed problem’s with Lion’s feature/bug of finsishing diacritical letters (see this previous complaint), I have probably found the solution in the excellent free system tweaker software: TinkerTool.app.

TinkerTool options
The problem: following my own solution didn’t seem to be working, at least not in TeXShop, the graphical interface I use for writing in LaTeX: vowels keep disappearing because by typing on I did something to make the software think I made up my mind and decided to skip the letter …

Hopefully, TinkerTool, which has been an asset ever since it came around, does the job.
Needless to add, per the picture above: uncheck “Hold key to select diacritic characters”.

I hope this is now settled …

Aura

Walter Benjamin had het over “een verte hoe dichtbij ook”, aura, en het leek alsof hij dat iets belangrijks vond (maar het kon ook om een oude -reactionaire- burgerlijke waarde gaan) wat door reproductie-technieken teloor gaat. Maar ook die laatste, m.n. film, dicht hij weer revolutionaire waarde toe. Je weet het maar niet.
De contouren van een bergketen aan de horizon met je ogen volgen, is: zijn aura ademen. Die uitleg duidt erop dat het Benjamin om de ervaring zelf ging: erbij zijn (met je hoofd).

Het concrete particuliere

Adorno verdedigt de “eigenheid” van het concrete particuliere tegen de dialektiek van de Verlichting: het “gegeven” dat de concrete fenomenen verdwijnen zodra we ze wetenschappelijk proberen te begrijpen. Zeggen dat deze boom een eik is doet zijn concrete particulariteit teniet (wat Baumgarten de extensieve helderheid van de waarneming noemde, waar schoonheid in bestaat).

Weinig

En Lucebert, in zijn prachtige gedicht, “De zeer oude zingt” is een pleidooi voor het weinige, onbeduidende, het kleine, en een besef van de paradox dat iedere aandacht die we er aan schenken het niet alleen rijk, maar ook “aan alles gelijk” maakt.

Verzamel.apps

…en aan alles gelijk

En dan, ten laatste, een artikel in het NRC over de manier waarop we tegenwoordig alles maar memoreren in tweets en allerlei apps, waarbij betoogd wordt dat we die mooie momenten moeten ervaren in plaats van ze op te slaan voordat ze zelfs maar beleefd zijn, of in plaats van ze mooi te maken door ze op te slaan.

“Terwijl we proberen steeds meer momenten te vinden en op te slaan, veranderen we in toeschouwers van ons eigen leven. We aanschouwen in plaats van dat we werkelijk (be)leven. We delen hoe heerlijk de kip is zonder hem nog te proeven en maken een ‘gezellige’ foto van een moment dat zonder die foto niet gezellig was geweest. De herinnering wordt belangrijker dan de werkelijke beleving van het moment, terwijl we digitale muren om ons heen bouwen. De nieuwe mens is niet langer de hoofdpersoon, maar een voyeur van zijn eigen leven.”
(Van Kampen en Truijens Martinez, p.2)

Kunst

Adorno zag bij deze kwestie een cruciale rol weggelegd voor de kunst: kunstwerken kunnen het andere laten oplichten (zoals de verschijning van Maria: de verschijning van een inzicht dat onmiddellijk ook weer weg is). Hij begreep dat het advies, “wees erbij (met je hoofd)” nog weinig is: dat mensen nu eenmaal afbeelden en beschrijven en dat het zaak is daar beter over na te denken.
Ofwel, de fenomenologie van de (auratische) beleving (van het concrete particuliere) is alleen acuut in de waarneming, of second-best, in de kunst. Net als de wetenschappen brengen verzamel.apps haar buiten ons bereik. Maar de ambivalentie van Benjamin speelt nog immer: misschien plaats je jezelf wel buiten iets wat er ook toe doet (een of ander sociaal fenomeen) door er niet aan mee te doen. Dat laatste is evenwel een ritueel fenomeen (hoe we samen het leven doorbrengen); het eerste gaat over hoe ieder van ons zich tot de werkelijkheid verhoudt.

Anouk van Kampen en Jan Truijens Martinez, “We lijden aan obsessieve digitale verzamelwoede.” NRC-Handelsblad, 7 januari 2012, Opinie & debat, pp. 1-2.

Gerwen, Rob van. 1992. Kennis in schoonheid. Amsterdam, Meppel: Boom.

Lezen

Soms vind je in de krant zinnen die je drie keer moet lezen om te ontdekken dat je nog steeds niet begrijpt waar ze over gaan.
In de NRC stonden enkele citaatjes met betrekking tot de CDA-voorman Verhagen, waaronder dit:

“Hij gaat iets niet worden, waarvan 99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en het ook niet zou moeten willen zijn.”
Rob van Beeten, ‘tot vorig jaar senator namens het CDA’ (NRC, donderdag 5 januari, p. 6).

Een ingewikkelde gedachtengang?

Leest u die zin eerst maar eens drie keer en legt u zichzelf eens uit wat hij betekent, of, als u er niet uitkomt, wat er dan wel mis in gaat. Ik heb dat ook gedaan en eerst gedacht dat een ingewikkelde gedachtengang schuldig was aan de onduidelijkheid, maar welke was dat dan?

Nee, kwam het inzicht, het probleem is de syntax van de zin. Het zal wel iets met de weggelaten verwijswoorden zijn.
Niet het ‘iets’ in het eerste zinsdeel; dat is wel duidelijk (Verhage wordt geen CDA-leider). Misschien is het de ‘Hij’, die begint als onderwerp in de eerste zinsnede en later impliciet omgevormd tot meewerkend of lijdend voorwerp? Maar nee, dat is het evenmin.

99 procent van Nederland

Het heeft te maken met het onderwerp van de tweede zinsnede, ’99 procent van Nederland’: die dacht dat Verhage het niet zou worden en dan nog wat: “het ook niet zou moeten willen zijn”. Eerste verwarring: waarom staat er ineens “zijn” en niet nog een keer “worden”?

“Hij gaat iets niet worden, waarvan 99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en het ook niet zou moeten willen worden.”

…Wat zegt Van Beetennu helemaal?…

Dat helpt een beetje om de fout op te sporen, want nu staat er:

“99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en het ook niet zou moeten willen worden.”

Ofwel, dit staat er:

“99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en 99 procent van Nederland het ook niet zou moeten willen worden.”

Hm, dat zal hij wel niet bedoelen, toch?

dat hij

Wat er mist is “dat hij”. Kijk, zo loopt de zin wel:

“Hij gaat iets niet worden, waarvan 99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en dat hij het ook niet zou moeten willen worden.”

Ja, en nu kun je “worden” wel met “zijn” verruilen:

“Hij gaat iets niet worden, waarvan 99 procent van Nederland dacht dat hij het niet zou worden en dat hij het ook niet zou moeten willen zijn.”

Nu valt ook nog op dat er een redenering schuilgaat die niet onderbouwd is, een equivocatie. Er staat immers dat 99 procent voorspelde dat hij het niet zou worden en dat 99 procent verwacht dat hij het helemaal niet leuk zal vinden om het te zijn: hij moet het niet willen zijn, want het is een rotbaan (voor iemand als hij?).
Tja, wat zegt Van Beeten nu eigenlijk helemaal?

De moraal

Ondertussen denkt iemand die een ander zo hoort spreken eerst dat die ander wel briljant zal zijn dat hij iets zo ingewikkelds vermag uit te drukken en gaat hij zitten nadenken wat die ander bedoeld zal hebben. Dat is de passief agressieve performantie van dit soort taalmisbruik.

Zo gebeurde mij vorige week iets vergelijkbaars. Ik zag op de voorpagina van “Opinie & Debat”, een van de vele katerns die de NRC tegenwoordig rijk is, een artikel van Rob Biersma waarvan ik dacht dat het me ging uitleggen waar ik in mijn functie als voorzitter van de examencommissie academische Master het afgelopen jaar mee bezig ben geweest: “In 2012: naar een transparante focus of kwaliteitsborging.” (NRC, Weekblad, “Opinie & Debat”, 31 december 2011, p. 1.)

Lezing van dat stuk leerde me echter dat het ironisch bedoeld was en dat de auteur op briljante wijze management-taal door elkaar had gehusseld. Gek genoeg dekte het resultaat nog immer datgene waar ik het afgelopen jaar mee bezig ben geweest. Hmm. Dat geeft te denken.

Nieuwe kleren van de keizer

Wat ik hier echter wil concluderen is dat de huidige machtsovername door managementstaal misschien maar een van de vele symptomen is van ons syntactisch afdekken van een grote denkluiheid. We laten het ons welgevallen uit angst wegbezuinigd te worden. De bezuinigers dat zijn immers de managers.

Zoeken op NRC.nl …

Probeer eens wat te zoeken op NRC.nl.
Ik heb afgelopen week twee stukken gelezen in de papieren editie (waar ik braaf op geabonneerd ben): een over de biografie van Joop Zoetemelk, en een over de biografie van de vrouw van Lech Walesa. En nu wil ik daar iets over kwijt, maar mijn papier heb ik al opgeruimd, dus ik dacht: even downloaden van de site.

Maar de NRC-site vindt geen van beide artikelen op trefwoord (Zoetemelk, resp. Walesa). Misschien kun je alleen zoeken in de titels die meestal nietszeggend zijn, ik heb geen idee wat dit verklaart.

Dus wil ik hierover iets melden bij de webmaster, maar er is geen enkele contactmogelijkheid—alleen over de bezorging. Dus nu klaag ik maar op deze plek (natuurlijk volstrekt zinloos, maar in ieder geval ben ik wat stoom kwijt).

Deze ontoegankelijkheid deugt niet: je wilt wel eens een artikel bewaren.

This is not a feature

Lion (Mac OS 10.7) introduced a device that comes in handy when you use an iPad or iPhone: a way to produce accented letters without having to use three key-combinations: simply hold down the base-letter long enough for all the alternatives to appear and then pick the one needed.

I am on a real computer and I simply hate this feature. Whenever I finished typing a sentence I find that many vowals will simply have have removed from it. Apparently, if you simply go on typing at a more or less high speed, the device thinks you want none of the alternatives… Below you find a picture of the thing.

Since I am writing a book in LaTeX, which has no use for accented letters, and at a reasonably high typing-speed, you understand my frustration.
Just now I grabbed all my anger and started off to the internet for the umpteenth time to find a solution, again to no avail. But a remark got stuck in my head: that the feature pops up when you hold down the relevant letter.

The solution

So I checked my keyboard settings in System Preferences, and found I had specified the Delay Until Repeat as “short”—I changed it to long, and bingo. I hope this helps all of you who are as frustrated as I have been for the last few weeks.

Het recht om je te verbergen

Voortbordurend op wat ik gisteren schreef naar aanleiding van het voornemen1) om camera’s in de rechtzaal te plaatsen en een Rechtspraak TV-kanaal op te zetten, nog een poging om mijn intuïties uit te werken.

Ik lees in de NRC (van woensdag 26 oktober 2011, p. 8 ) dat de meerderheid van rechters, advocaten het een geweldig idee vindt. Nou ja, dat staat er niet. Er staat dat advocaat Inez Weski ervan gruwelt, maar dat zij een “minderheidsstandpunt”2) vertegenwoordigt. Voor de duidelijkheid: ik gruwel er ook van.

…Wij geloven alleen nog het beeld van de camera…

Bij het stuk in de NRC staan overigens foto’s uit de rechtzaken van notoire gevallen: bewezen misdaden van beroemdheden, of toch minstens vermoede misdaden (de arts van Michael Jackson) waar iedereen al een heldere mening over heeft.
Maar wacht even—de camera’s waren toch bedoeld om hypes te voorkomen? Of: wat is hier de rol van de NRC?

In het stuk wordt een media-autoriteit om commentaar gevraagd. Ad van Liempt, “voormalige hoofdredacteur van Nova” is blij met de voorstellen: “Met welk recht zou je een medium als tv buiten de deur houden terwijl je journalisten met een ballpoint wel toelaat?”
Iemand die dat niet kan uitleggen, begrijpt toch wel heel weinig van de kwestie. Met geschreven reportages kun je van alles beweren maar niet bewijzen dat het waar is; ook getekende afbeeldingen hebben geen bewijskracht. Met camera’s daarentegen kun je van alles bewijzen, ook allerlei zaken waar je geen controle over hebt. Met camera’s kun je niets beweren. Precies daar schuilt het probleem.

Wij geloven alleen nog het beeld van de camera.

Vrijheden en Rechten

…maar hebben geen idee wat dat beeld ons precies vertelt…

Ik weet niet goed hoe ik het anders moet zeggen dan door onze Vrijheid van expressie te verbinden met een Recht om je te verbergen. De Vrijheid van expressie begrijpen we inmiddels wel zo’n beetje, maar hoe staat het met het verlangen om je alleen te verhouden tot mensen die je voor je ziet en waar je mee kunt interageren? Is het niet tijd voor een Recht van de Mens om eigen baas te blijven over het eigen beeld?

Ik bedoel dan niet dat het oke is als er een systeem is dat mensen dwingt zich te verbergen—het moet gaan om een recht waarover het individu zelf de touwtjes in handen heeft.

PS

Ik sluit me aan bij de kritiek van Nel Ruigrok en Bernadette Kester. (NRC, woensdag 26 oktober 2011, p. 15.)

Verwijzingen

1. Natuurlijk gaat het alleen nog maar om een uitkomst van een commissie-onderzoek.

2. Of het om de minderheid of de meerderheid gaat is natuurlijk sneller gezegd dan vastgesteld, en de vraag is of het een argument is. Moeten we niet gewoon goed nadenken over wat we van plan zijn?

Rex Bloomstein: KZ

Crimes make images

Perceptions do not produce images, or mental representations, in the mind. The images are out there. We see the things before us and the events which take place around us directly. If we remind ourselves of an event from the past somehow we re-perceive it. Even in such cases, it makes no sense to think that we are watching an image in our minds. Normally, the original events slowly but surely mix with intermediate and present perceptions and lose their hold on us. (I am thinking of Bergson’s much neglected theory).

It makes sense, therefore, to argue that events produce “images”, and that some of these will stick permanently. Someone lies awake at night and cannot stop the events from making him see them again and again. And the events pester him in such a way that they feel incomparably singular—sealing him off from post-processing them, and from integrating them to his present perceptions. They model new perceptions, rather than standing on their own, ready to be mixed in with the next.

…Crimes make images and Nazi crimes are the nastiest and most persistent…

I think the traumatic images produced by the Nazis in the heads of survivors are like that. Crimes leave us with vehement images, and the Nazi crimes are the nastiest and the most persistent. Commentators have reported how victims in the camps were forbidden as well as incapable to watch the events—their experience of the horrors was not a full-fledged normal, thick perception to begin with, not something they could interfere with. (Thick perception is perception which allows the embodied perceiver to stand towards the events, partake in them as an agent; not observe them passively, as if they are represented.)

The Unrepresentability of the Shoah

The issue with art about the Shoah is not the unrepresentability of the Shoah. It is that art always revolves around itself. An art work’s content is always just that: the subject matter of a work. The work precedes its meaning, or referent (there is no need in art for a referent that actually exists). The Shoah, however, is too real to allow for this, art’s lenient ontology.

That is different from saying that the Shoah is too big (in any way) to allow its adequate representation. This unrepresentability of the Shoah is an epistemological issue. But art trumps epistemology in this, as it helps us understand how crimes make images—and, how making images of crimes implicates the audience in those crimes.

…Art explains how making images of crimesimplicates you in them…

To deal with the Shoah through representation in 2006 is both instructive with regard to the powers and incapacities of representations, and a challenge in a singularly complex manner.
The complexity stems from several determinants which are well-rehearsed but remain as hard to deal with as ever before: the sheer horror of the planned extermination of Jewry; the scientist fallacies backgrounding the Shoah (Mengele’s experiments; social darwinism—are they as alien to science as we want to believe?); the open-endedness of the events (the murder not just of individuals but of families; the appeal to long histories of anti-semitism; uncontrollable religious backgrounds); the powerlessness inherent in remnant photographic material; the visual arguments therein (who shot the footage? Was “it” really like this?), and so on.

On top of all this, any new representation must count with its predecessors and the flaws and strengths therein, as well as the debates about these. Think of the 1978 Holocaust television series, Lanzmann’s 1985 Shoah, Spielberg’s Schindler’s List (1993), Roberto Benigni’s La Vita e Bella (1997), to name but the most important examples.
If you consider making a film about the Shoah, will you do it like either one of your predecessors did it or are you going to offer a new approach? And how new can it be? Hasn’t everything been done already?

The Truth about the Real

…documentary footage “kills the imagination”…

The Holocaust television series provided a soap opera version of the shoah; it showed the struggle for survival of the Jewish family Weiss—in a typical soap opera way, by showing everything an audience might crave to see. The series was critiqued for its sentimental distortion of the vastness of the shoah by presenting it as a narrative setting allowing closure.
Claude Lanzmann’s Shoah presented testimonials by survivors, moral witnesses (in Avishai Margalit’s terms): no documentary footage because that would “kill the imagination”—as Lanzmann put it in his critique of Schindler’s List—and the imagination is required to connect to the vast horrors of the shoah; no stories of individuals and their individual problems but stories by individuals speaking “for the lot”.
Stephen Spielberg’s Schindler’s List was a fictional reenactment, reflecting the point of view of a good German, as if such perspectivism might not in itself already involve a distortion of “reality”.

Of course, it is not easy to establish just what that reality was, and I will not try it here—a negative approach might suffice: whenever a representation gives you flawed views, this in itself is an indication of its distortive nature. And Schindler’s List as much as the television series give one the impression that the shoah was something one might be able to convey in nice narratives with a beginning, middle and ending where certain things problematised in the beginning are resolved at the end—a typical Hollywood narrative that most people feel good with.

Reenactment

Secondly, irrespective of the truth-issue, Schindler’s List presents a reenactment by professional actors, doing their best—no doubt about that—to render their characters as plausibly and convincingly as they can. Lanzmann (in the named critique) asks whether actors can convey the horrors of the shoah, and that points to a philosophical, and hence more general question about the transparancy of acting to the enacted. And there is a critical asymmetry here: when a character is to pick up a book, his real-life “counterpart”, the actor—say, Ben Kingsley—picks up a book. So far so good. Even though one may already pose the question whether seeing Kingsley pick up a book is ever bringing to our mind a Jewish victim picking up a book.
Nevertheless, however lenient we may choose to be about the transparency of physical reenactment, a more critical asymmetry surfaces when the character is suposed to go through some or other feeling. This time the question whether the audience succeeds in empathising with the feelings of the character depends on the acting efforts of the actor, Kingsley. The actor Kingsley will always be a determining factor in the success of the expression. For fictions this is, of course, no problem at all, but we are dealing here with the Real.
Lastly, Hollywood conventions dictate that the narrative be closed at the end, so as to provide some katharsis in the audience. Truthfulness becomes a real issue.
Roberto Benigni’s La Vita e Bella, in contrast, seems not to be vulnerable to such criticism, as the film is fictional, and evidently so from the start. The film shows a certain survival strategy, the use of humor and irony without suggesting that this is how things were, generally, or even in some specific case. No truth-valuational assumptions in this film. This opens the question whether fictional renderings of parts and aspects of the shoah is a viable endeavour—but that question is answered affirmatively by this film and other works, such as Polish artist, Libera’s LEGO Concentration Camp (1996), and the puppet play of Hotel Modern, Kamp (2006).

Implicating the Audience in the Image-Making

Benigni’s La Vita e Bella makes us laugh about these horrible events, which implicates us in his manner of representing them. Zbigniew Libera’s LEGO Concentration Camp consists of a LEGO-set with building blocks and puppets allowing players to build their own concentration camp, and, as LEGO-players are used to, to play out the puppets against each other. Children playing with LEGO know that doing it means identifying with the characters. Thus, Libera presents us with our own complicitness in producing the imagery of horror.
A similar artistic strategy is encountered in Hotel Modern’s Kamp. This hybrid and complicated piece presents a life audience with a projection of a puppet play on a screen at the back of a stage where the puppeteers are devoted to bringing the scenes to life, for the sake of the audience’s experience. We see the care with which a puppeteer cicks a puppet from the little crate it was mounted on seconds earlier, to hang it. The puppeteer’s finger hangs the victim; the audience sees the devotion in the tiny movements that lead to the hanging, and no-one in the audience interferes—of course not, but that is not the point: the point is that it was the perpetrators who made the imagery, of the hanging of a Jew. And somehow, they made it for posterity to watch. We are implicated in the image-making that the horror consisted in as well.

…The artists don’t make the images —they remade them— the Nazis did

The artists don’t make the images—they remade them—the Nazis did. It makes one think back to the often emotionally laden testimonials in Lanzmann’s Shoah. E.g. the barber Abraham Bomba is filmed in a barbershop, while Lanzmann interviews him about how they cut the hair of hundreds of women in gas-chambers, minutes before they would be gassed. At a certain point during his story, Bomba feels he can no longer proceed with his tale, and we see how he sees how images of the situation creep back into his memory. Yes, it was the Nazis who made these images, and it is the images which haunt the survivors.

Where are the Images?

Taking it from here, the next question seems to become: how do we acquaint ourselves with the images the Nazis made?
To think that they are in the documentary footage would be a mistake, but a mistake which, to expose it, requires an additional argument—against photography—that is philosophical in nature. That additional argument is this: 1. Photography, on account of its causal origins, proves what it shows. 2. People therefore think that—since we see something in the photograph which the photograph in itself proves to have been real—we see in that same photograph just how it was. 3. But a photograph may prove what it shows—I don’t debate that claim, and surely won’t do so by appealing to contemporary digitalisation (think of Roger Scruton’s objection to that)—yet it doesn’t tell us what that is. Pictures generally, and photographs are no exception, cannot assert anything—just as they are incapable of denying or questioning anything, or of pointing to their own context (Wollheim). 4. This additional argument makes me conclude that the images the Nazis caused are not captured in the documentary pictures. Then where are they?

Rex Bloomstein: KZ (2006)

This is where Rex Bloomstein’s KZ steps in. KZ shows us groups of visitors of the Mauthausen camp, as well as their guides and people living in the camp’s vicinity.

Examples of scenes in the film are groups of tourists being walked through the camp by local guides; we see them listening to guides relating stories they have obviously been recounting numerous times. The guides themselves are interviewed and they tell of their personal devotion to the guiding, and their personal suffering of having to repeat the stories over and over.

The ways in which the guides tell their stories within the historical circumstances where they took place, provides the film with a strange kind of authenticity; comparable, in a way, to how Lanzmann placed the moral witnesses in Shoah within historical contexts—only in KZ those present in these horrible surroundings are not survivors. So how do their stories acquire authenticity, one wonders.
We are also shown the surroundings of the camp, the village of Mauthausen and its present inhabitants engaging in beer-festivities. The locals are asked about the camp, and they state that the camp does not “control” their lives, and that Mauthausen is a village like any other. The spectator has different thoughts, though. Among others one realises that the mere presence of the camp retains and reactivates memories of the atrocities that took place in it.

It is the place itself which archives our memories, even those memories which cannot be said to be ours personally, for instance, because we are too young to have experienced the events. But KZ shows us how they are brought to live—by visiting the site and experiencing the camp, the rooms, the corridor as embodied perceivers. This differs from reading about the Shoah, or from watching documentaries or testimonials. KZ brings that insight home, but honesty bids me to acknowledge that some of this is also central to Lanzmann’s Shoah, which is different in all other aspects, of course.

References

- Alphen, Ernst van. 2005. “Playing the Holocaust.” In Art in Mind. How Contemporary Images Shape Thought, 180–203. Chicago and London: The University of Chicago Press.
- Benigni, Roberto: La Vita e Bella (1997). (IMDB)
- Bergson, Henri. 1990. Matter and Memory. Translated by N. M. Paul and W. S. Palmer. Zone.
- Bloomstein, Rex: KZ (online information-sheet).
- Gerwen, Rob van. 1999. “Representaties waarnemen.” Feit & fictie IV:67–80.
- Hotel Modern: Kamp (press release, online).
- Lanzmann, Claude. 1985. Shoah. An Oral History of the Shoah. New York: Pantheon Books. (IMDB).
____________. 1994. “Holocauste, la représentation impossible.” Le Monde, March 3.
- Margalit, Avishai. 2002. The Ethics of Memory. Cambridge, Mass., London: Harvard University Press.
- Scruton, Roger. 1983. “Photography and Representation.” In The Aesthetic Understanding: Essays in the Philosophy of Art and Culture, 102–126. London, New York: Methuen.
Sontag, Susan. 2003. Regarding the Pain Of Others. New York: Farrar, Straus and Giroux.
- Spielberg, Stephen: Schindler’s List (1993). (IMDB)
- Wollheim, Richard. 1993. “Pictures and Language.” In The Mind and its Depths, 185–192. Cambridge (Mass.), London (England): Harvard University Press.

In dezelfde NRC (van dinsdag 25 oktober 2011) twee berichten die in hun samenhang begrepen moeten worden.

Camera’s in de rechtzaal

Eerst, op de voorpagina, de melding dat een of andere commissie tot de conclusie is gekomen na een analyse van de media-hype rond het proces over Wilders’ haatzaaien, dat alle rechtzaken voortaan op televisie moeten verschijnen, als het kan via een eigen kanaal. Dus: er is een rechtzaak op televisie gekomen (Wilders); die leidde tot een media-hype die, vinden we, een negatieve invloed heeft gehad op de rechtsgang; en dus moeten alle rechtzaken voortaan op televisie? Ook wordt aangeraden rechters een media-training te geven in hun opleiding; waarom niet meteen ook een cosmetische chirurgische opknapbeurt?
Bedoelt men: ‘alleen door te laten zien dat er ongelooflijk veel rechtzaken zijn en dat die meestal saai zijn, voorkomen we dat de media een hype opbouwen rond een bepaalde rechtzaak’?
Ik waag een reconstructie (ik begrijp ook wel dat dit een stroman is, maar ik wil een curieus argument in het betoog laten zien):

1. Als rechtzaken nooit op televisie worden uitgezonden, ontstaat er een hype in het uitzonderlijke geval dat een bepaalde rechtzaak wel wordt uitgezonden.
2. Als alle rechtzaken op televisie worden uitgezonden, zijn er geen uitzonderlijke gevallen meer.
3. Dus: Als alle rechtzaken op televisie worden uitgezonden ontstaat er geen hype meer.

De zwakke schakel is de aanname dat de hype in kwestie (de Wilders-zaak) het gevolg was van het feit dat ze werd uitgezonden. Maar ontstond de hype niet veeleer vanwege de aard en het onderwerp van de zaak en door hetgeen er in de media (en in de rechtzaal) mee werd gedaan? De oplossing die de commissie hier voorstelt is geen oplossing voor de gegeven kwestie.

Daarnaast creëert deze “oplossing” een groter probleem en is het onduidelijk welk belang ze dient.
Eerst het grotere probleem dat nu ontstaat: rechtzaken zijn nu volledig onderworpen aan de macht van de media, want die hoeven alleen nog maar de zaken aan te wijzen waar ze een hype over willen crëeren en bingo, de hype is een feit.

Maar welk belang wordt er gediend met deze voorstellen? Willen we terug naar het middeleeuwse dorpsplein waar de terechtstellingen plaatsvinden, zodat we daar met zijn allen heerlijk onze nieuwsgierigheid kunnen bevredigen? Vinden we dat mensen die zich thuis zitten te vervelen omdat Oh Oh Cherzo nog niet is begonnen, dan in ieder geval via internet Rechtspraak TV kunnen bekijken?

Maar rechtzaken zijn toch in principe al openbaar? Wie geïnteresseerd is, reize naar de rechtzaal en neme plaats op de publieke tribune.
Dat leidt in ieder geval tot de moreel verdedigbare toestand dat iedereen elkaar recht in de ogen ziet. Geen gevoyeer thuis op de bank met een zak chips.

De foto van de doodgeschoten Gaddafi

De tweede zaak is die van de foto van de doodgeschoten Libische dictator Gaddafi (p. 32). De NRC-ombudsman maakt zich zorgen over het tonen van de gruwelijke foto en vergelijkt hem met die van de door de dieren-activist Volkert van der Graaf doodgeschoten Pim Fortuyn, en de verontwaardiging die destijds ontstond toen De Volkskrant die foto groot op de voorpagina afdrukte.
Maar er gaat een en ander mank hier. Was Gaddafi niet degene die de afgelopen maanden keer op keer benadrukte dat hij de ratten (zijn landgenoten!) zou laten afschieten? Was Gaddafi niet degene die dit soort dreigementen zou blijven uiten zolang hij in leven zou blijven? Moesten we geen bewijs van zijn dood of gevangenneming hebben (zoals we dat om begrijpelijke redenen niet hebben gekregen van Bin Laden). Ja, het ware beter geweest als hij niet vermoord was, maar gegeven dat feit is de foto niet de heisa waard—en ik ben iemand die onder alle omstandigheden onze overschatting van de fotografie aan de kaak zal stellen!
We hebben wel foutere foto’s gepubliceerd (denk aan het jaarlijkse circus rond de World Press Photo).

Nee, wat mij meer verbaast, is waarom we zo’n onduidelijke foto te zien krijgen. Was er geen tijd om een betere foto te maken? Probeerde men fotografen weg te houden? Of heeft de pers het misschien nodig gevonden om een foto te publiceren die de suggestie wekt dat ze inderhaast en met gevaar voor eigen leven (met een verborgen camera of een iPhone) is genomen?

“De Universiteit Utrecht stijgt dit jaar flink in de Times Higher Education World University Rankings: van nummer 143 naar 68.” lees ik op de Nieuws & agenda site van Geesteswetenschappen

Vanwaar deze grandioze stijging, vraagt men zich af? Wel, het schijnt dat men besloten heeft ook het alfa- en gamma-onderzoek mee te nemen in de weging.
Dat gebeurde blijkbaar nog niet, dus?

Dat lijkt me al voldoende voor een schandaal. (Maar niemand schijnt zich hier erg druk over te maken. Ook dat is frappant in zichzelf.)

…het alfa- en gamma-onderzoek doet de universiteit Utrecht 75 plaatsenstijgen!!…

Maar de grootste eye-opener lijkt me toch te zijn dat alleen al het meenemen van het alfa- en gamma-onderzoek de universiteit Utrecht 75 plaatsen doet stijgen!!

Maar wacht even … waar zouden we dan staan als we niet dat (redelijk goede, maar toch zeer veel lager, immers op 143, geplaatste) beta-onderzoek als een blok aan ons been hadden?

Ik schat zo ergens in de top 10!

Dat is pas een opsteker.

CEO’s Wages

Droste effect
(Found this on the internet.)

Dear Mr. President, I cannot imagine that you do not know what to do. You have my full support in doing it (which is easy to say, I know).

Witte boorden

Je vraagt je af waarom deze inzichten geen gemeengoed zijn. Met dank aan de NRC om criminoloog Cyrille Fijnaut aan het woord te laten. Een verademing!

„Criminologie is van oudsher onderklassecriminologie. Gericht op gewone misdaad: vermogens-, gewelds-, zedendelicten. Ze gaat vaak voorbij aan veel ernstiger vormen van criminaliteit: georganiseerde misdaad en organisatiecriminaliteit. Legale bedrijven plegen organisatiecriminaliteit om de kosten te drukken en winsten te vergroten.
„De Amerikaanse criminoloog Edwin Sutherland heeft daar met zijn geweldige boek White collar crime in 1949 de aandacht op gevestigd. Hij liet zien dat de 70, 80 grootste Amerikaanse bedrijven allemaal een geschiedenis hadden van wetsovertredingen op alle fronten en dat de maatschappelijke schade die ze hadden aangericht gigantisch was. Hun optreden was misdadig. Maar ze hadden de macht om ervoor te zorgen dat hun gedrag niet als misdrijf behandeld werd.
„Dat geldt in onze tijd nog sterker. Kijk wat er in de financiële sector is gebeurd. Ik pleit voor een criminologisch onderzoeksprogramma op dit terrein.”

“We leven in een grimmige samenleving”, Sprekend Cyrille Fijnaut, NRC-Handelsblad, Weekend-editie, 1 oktober 2011, p. 17.

Waar de geest dan wel is

Swaab en mainstream neurofysiologisch ingestelde gamma-wetenschappen dwingen ons een antwoord in de verkeerde hoek te zoeken. Met “ons” bedoel ik mensen.
Zij beweren dat de geest niets meer is dan de hersenen, dus gaan “wij” uitwegen zoeken uit dat reductionisme door te zeggen dat de geest meer is dan de hersenen, of zo. En door ons af te vragen wat de rol van de rest van het lichaam is.

Ik denk dat we de geest in onszelf hebben gezocht vanwege de perspectiviteit van de waarneming. Natuurlijk: iedereen neemt de werkelijkheid waar vanuit dit lichaam hier en dus moet de geest ook wel ergens hier zijn; en, omdat we hier niets kunnen aanwijzen wat “de geest” is, maar we wel de meest overtuigende kandidaat, de hersenen (die inderdaad zonder enige twijfel de noodzakelijke voorwaarde vormt voor al wat we geestelijk zouden kunnen/moeten noemen) kunnen onderzoeken, en grondig ook!, komen we tot het idee dat de geest de hersenen is. Tot zover de stand van zaken.

Geest in de werkelijkheid

Maar is geest niet ook de betekenissen die we om ons heen waarnemen? Als ik een stoel zie als iets om op te zitten, is dat dan louter een projectie van mijn geest, of is het feit dat die stoel mijn waarneming, en mijn erop zitten dat daar soms op volgt, faciliteert, geen bewijs dat ze die betekenis die ik er waarneem ook zelf al draagt? Mijn hypothese: we moeten de geest in de werkelijkheid zoeken. En dat onze waarneming hem oppikt, betekent slechts dat wij erop afgestemd zijn.

Kants “subjectieve doelmatigheid”

Kant noemt schoonheid ook wel subjectieve doelmatigheid: het gevoel dat het mooie object voor ons kennen gemaakt lijkt te zijn — zonder dat dit ons tot een kennisoordeel verleidt. We zeggen niet “aha, een stoel” (een kennisoordeel), maar “dat is een mooie stoel (tulp, boom, mens, kunstwerk, enz.)”.

Overigens denk ik hierbij ook aan J.J. Gibsons term “affordances”, maar dan wel in mijn interpretatie—of Gibson het precies zo bedoelde is een andere vraag—en aan Bergsons prachtige analyse van waarneming en herinnering, waar ik me momenteel in verdiep.

Onze grootste fout is, denk ik, dat we de waarneming al eeuwen begrijpen als iets wat in ons gebeurt. Maar dat kan toch onmogelijk kloppen, als minstens de helft van de waarneming (nl. het waargenomene) zich buiten ons bevindt, wel?

- Bergson, Henri. 1990. Matter and Memory. Translated by N. M. Paul and W. S. Palmer. Zone.
- Gibson, J.J. 1986. The Ecological Approach to Visual Perception. London, Hillsdale, N.J.: Lawrence Erlbaum Associates.
- Kant, Immanuel. 1974. Kritik der Urteilskraft. Frankfurt am Main: Suhrkamp (A-first edition: Berlin, Libau 1790; B-second edition: Berlin, 1793).

Dictatoriale Websites

Dit blog bij voorbeeld presenteert gewoon wat krenten uit mijn pap — wie dat leuk vindt leest door en, als men iets bepaalds zoekt, kijkt men naar de rubrieken of gebruikt men de zoekmachine. Wat zei ik ook alweer ooit over televisie? Zoek en lees.

Maar er zijn websites die voor hun gebruikers bedoeld zijn — die zijn daar de afnemers, consumenten van. Daarvan zie ik twee typen. Vergelijk het met een winkelstraat, twee typen.

Twee typen

1. In St. Petersburg is alles te koop, maar het is niet gezegd dat je het kunt vinden door rond te lopen en om je heen te kijken. Integendeel, vanaf het straatniveau zie je slechts gebouwen zonder reclame-uitingen of naambordjes. Loop je een gebouw in, door wat gangen en wat trappen op dan kun je ineens in een zeer uitgebreide groentenmarkt staan, of in een prachtig museum of supermarkt.

In zo’n context heb je een probleem wanneer je iets heel specifieks zoekt, bij voorbeeld groenten of kunst. De enige manier om dat te vinden is door het vooraf reeds te weten. Maar hoe kom je aan die kennis? Vraagbaken, instanties, boeken, mensen vragen?

Dus, je loopt rond, bedenkt dat je een bloemkool wilt hebben, en moet dan op je schreden terugkeren, naar instantie, boek of mens die je kunnen vertellen waar je die kunt halen.

2. In Utrecht loop je in de binnenstad en zie je aan de panden waar je langsloopt waar je wat kunt kopen. Het gros van wat je wilt aanschaffen is vindbaar door rond te lopen en om je heen te kijken.

Met enig gevoel voor drama kun je het eerste type winkelstraat dictatoriaal noemen (omdat externe instanties beslissen over wat individuen mogen weten of doen) en het tweede open en democratisch.

Websites

Deze twee typen vind je ook op internet. Ik ga geen adressen geven, maar er zijn websites waar je alsmaar om je heen kijkt en hoewel je voelt dat je “in de buurt” bent, geraak je toch niet verder, kom je niet aan op de preciese plaats die je zoekt. In plaats daarvan word je geacht een menu te volgen dat evenwel niet in jouw preciese zoekvraag geïnteresseerd is, maar jou de structuur wil laten volgen.

Het gevolg daarvan kan zijn dat je na vier keer klikken weer op je beginpagina terugbent (maar dat kan ook na een wilde zoektocht na acht keer klikken alsnog gebeuren).

Waarlijk allografisch

Waarlijk allografisch zijn, lijkt het, alleen literatuur en etsen. Daar doet het lichaam van de kunstenaar inderdaad niets meer bij de totstandkoming van de laatste gedaante van het werk.

Als iemand een schilder een idee influistert en hij maakt daar vervolgens een schilderij van, is dat werk dan allografisch? Nee, want we nemen de schilder als de maker. Dat is een keus van de theorie, zou je kunnen zeggen, en ze is gemotiveerd met het argument van de zichtbaarheid van de kunstenaar in het kunstwerk. Een componist is wellicht te begrijpen als louter de influisteraar van de musicus. Dus ook muziek is autografisch—zoals we ook wel weten bij wat we dan weer de populaire muziek noemen. We luisteren naar Snoop Doggy Dogg, Madonna, en Ry Cooder—zoals we naar een Picasso tentoonstelling gaan. Mocht iemand een nummer van een ander uitvoeren, coveren, dan is dat als een schilder die andermans werk naschildert: Mike Bidlo en andere appropriationisten schieten hier te binnen. Dat we anderen die schilderijen naschilderen vervalsers noemen, komt puur omdat ze net den alsof ze de originele schilder zijn. Maar anderen kunnen geen Rembrandt schilderen, en dat is wat de schilderkunst autografisch maakt. The Supremes zongen alleen maar liedjes van anderen, nou en?

Zoals Denis Dutton al zei: alle kunst is uitvoering.

En film? Ik noemde dat een congrafische kunstvorm, omdat mensen hier samenwerken om tot het eindresultaat, de film, te komen. De film realiseert de intenties van velen, waarbij influisteraars (regisseurs), acteurs, belichters, cameramannen en monteurs hun eigen inbreng hebben. Congrafisch is niet allografisch: het is niet zo dat de regisseur de film maakt en de anderen dat werk uitvoeren. Allografisch lijkt als term van een romantische opvatting uit te gaan: van een kunstenaar die het eigenlijke werk concipieert, en de anderen die dat dan uitvoeren: een intentionele drogreden.

Dennis Dutton. Artistic crimes: The problem of forgery in the arts. The British Journal of Aesthetics, 19:302–314, 1979.

Nelson Goodman. Score, sketch, and script. In Languages of Art, pages 177–224. Hackett Publishing Company, Indianapolis, 1985.

Jerrold Levinson. Authentic performance and performance means. In Music, Art, & Metaphysics, pages 393–408. Cornell University Press, Ithaca, N.Y., 1990.

Older Posts »